esc

Psalmen 28

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939 · 9 verzen

  1. 1 Van David. Tot U roep ik, Jahweh, mijn Rots! Ach, houd U voor mij niet doof: Opdat ik, als Gij blijft zwijgen, Niet gelijk word aan hen, die in het graf zijn gedaald.
  2. 2 Hoor, Jahweh, mijn zuchten, Nu ik tot U smeek, En mijn handen hef Naar uw heilige woning.
  3. 3 Werp mij niet weg met de bozen, Niet weg met de zondaars, Die lief doen tegen hun naaste, Maar met venijn in het hart.
  4. 4 Zet ze hun werken betaald, En hun schandelijk gedrag; Vergeld ze het werk hunner handen, En geef hun wat ze verdienen.
  5. 5 Want ze begrijpen niets van Jahweh’s daden, Niets van wat door zijn hand werd verricht; Daarom breekt Hij ze af, En bouwt ze niet op!
  6. 6 Geprezen zij Jahweh! Want Hij heeft mijn smeken gehoord;
  7. 7 Jahweh is mijn schuts en mijn schild. Als mijn hart op Hem hoopt, word ik zeker geholpen; Daarom jubelt mijn hart, en zegen ik Hem met mijn lied!
  8. 8 Jahweh is een schuts voor zijn volk, En voor zijn Gezalfde een machtige hulp.
  9. 9 Red dus uw volk en zegen uw erfdeel; Weid hen en leid hen voor eeuwig!

Precies zo aangeboden als het is gepubliceerd. Public domain.

Hardop gelezen

Hardop gelezen in een andere uitgave

Voorlopig leest één stem, en zij leest de World English Bible Classic. Dit hoofdstuk is daar opgenomen; deze uitgave niet.

Dit hoofdstuk in die uitgave lezen

In andere talen