esc

Psalmen 129

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939 · 8 verzen

  1. 1 Een bedevaartslied. Van jongs af heeft men wreed mij mishandeld, Mag Israël wel zeggen;
  2. 2 Mij hardvochtig gekweld sinds mijn jeugd, Maar nooit mij gebroken.
  3. 3 Ploegers hebben mijn rug beploegd, En lange voren getrokken;
  4. 4 Maar Jahweh bleef trouw: De riemen der bozen sneed Hij stuk.
  5. 5 Beschaamd moeten vluchten Alle haters van Sion.
  6. 6 Ze zullen worden als gras op de daken, Dat vóór het opschiet, verdort;
  7. 7 Waarmee geen maaier zijn hand kan vullen, Geen hooier zijn arm.
  8. 8 En niemand zal in het voorbijgaan zeggen: “De zegen van Jahweh over u; Wij zegenen u in Jahweh’s Naam!”

Precies zo aangeboden als het is gepubliceerd. Public domain.

Hardop gelezen

Hardop gelezen in een andere uitgave

Voorlopig leest één stem, en zij leest de World English Bible Classic. Dit hoofdstuk is daar opgenomen; deze uitgave niet.

Dit hoofdstuk in die uitgave lezen

In andere talen