esc

Psalmen 101

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939 · 8 verzen

  1. 1 Een psalm van David. Van vroomheid en recht wil ik zingen, U loven, o Jahweh!
  2. 2 Op de wandel der vromen gaan dichten: Ach, mocht hij mijn deel zijn! Rein van hart wil ik leven Binnen mijn huis;
  3. 3 Voor mijn ogen niets dulden Wat slecht is. Uitspatting haat ik, En neem er geen deel aan;
  4. 4 Een bedorven hart blijft verre van mij, En van kwaad wil ik niets weten.
  5. 5 Wie heimelijk zijn naaste belastert, Doe ik verstommen; De hoogmoedige blik en het trotse hart Kan ik niet uitstaan.
  6. 6 Mijn ogen zijn gericht op de getrouwen in het land, Om ze bij mij te doen wonen; En wie een onberispelijk leven leidt, Mag mij dienen.
  7. 7 Maar niemand blijft in mijn huis, Die zich schuldig maakt aan bedrog; En wie leugens spreekt, Houdt geen stand voor mijn ogen.
  8. 8 Iedere morgen delg ik Alle boosdoeners uit in den lande; En drijf uit Jahweh’s stad Alle misdadigers weg.

Precies zo aangeboden als het is gepubliceerd. Public domain.

Hardop gelezen

Hardop gelezen in een andere uitgave

Voorlopig leest één stem, en zij leest de World English Bible Classic. Dit hoofdstuk is daar opgenomen; deze uitgave niet.

Dit hoofdstuk in die uitgave lezen

In andere talen