esc

Job 23

De Heilige Schrift, Petrus Canisiusvertaling, 1939 · 17 verzen

  1. 1 Job antwoordde, en sprak:
  2. 2 Al weer heet mijn klagen verzet: Maar zijn hand dwingt mij tot zuchten!
  3. 3 Ach, dat ik Hem vinden kon, En voor zijn troon kon verschijnen!
  4. 4 Dan zette ik Hem mijn zaak uiteen, En vulde mijn mond met bewijzen;
  5. 5 Dan kende ik de woorden, waarmee Hij mij antwoordt, Vernam ik, wat Hij mij zegt.
  6. 6 Zou Hij zijn macht in het geding moeten brengen? Neen, als Hij slechts naar mij hoorde!
  7. 7 Dan zou Hij bemerken dat er bij Hem een onschuldige pleit, En ik was voorgoed van mijn Rechter bevrijd!
  8. 8 Maar ga ik naar het oosten, Hij is er niet, Of naar het westen, ik bespeur Hem niet;
  9. 9 Ik zoek Hem ten noorden, ik vind Hem niet, Wend mij naar het zuiden, ik zie Hem niet.
  10. 10 Het is, omdat Hij mijn wandel kent Omdat ik als goud te voorschijn zou treden, als Hij mij toetst:
  11. 11 Want mijn voet bleef steeds in zijn spoor, Ik hield zijn pad, en verliet het nooit!
  12. 12 Van het bevel zijner lippen week ik niet af, Het woord van zijn mond heb ik in mijn boezem bewaard:
  13. 13 Maar wil Hij iets, wie kan Hem beletten, Begeert Hij iets, Hij voert het uit!
  14. 14 Ja, Hij volbrengt, wat Hij over mij heeft besloten, Met al het andere, wat Hij heeft beschikt:
  15. 15 En daarom ben ik voor Hem zo bang, Sidder ik, als ik aan Hem denk.
  16. 16 Het is God, die mijn hart murw heeft geslagen, De Almachtige, die mij verschrikt;
  17. 17 Neen, niet door de duisternis ben ik ontsteld Niet door het donker, dat mijn gelaat bedekt!

Precies zo aangeboden als het is gepubliceerd. Public domain.

Hardop gelezen

Hardop gelezen in een andere uitgave

Voorlopig leest één stem, en zij leest de World English Bible Classic. Dit hoofdstuk is daar opgenomen; deze uitgave niet.

Dit hoofdstuk in die uitgave lezen

In andere talen